Tips, inzichten en artikelen.

Alle akkoorden op een rij – compleet overzicht & uitgelegd
Allle akkoorden front

Alle akkoorden op een rij – compleet overzicht & uitgelegd

In deze blog ontdek je hoe akkoorden zijn opgebouwd en hoe je ze beter begrijpt en onthoudt. We zetten alles overzichtelijk op een rij en vergelijken de verschillen. Van drieklanken tot uitgebreide akkoorden met tertsen: zo speel je vrijer en met meer controle, ongeacht je niveau.

Alle akkoorden op een rijtje

We zetten we alle akkoorden overzichtelijk op een rij. Het doel is dat je akkoorden met elkaar kunt vergelijken, ziet waar ze van elkaar verschillen en ze daardoor beter onthoudt. Dat helpt je om sneller muziek te spelen die jij wilt spelen en om vrijer te improviseren. Of je nu net begint of al langer speelt, overzicht zorgt voor rust en controle.

We gaan in dit overzicht alle akkoorden die zijn opgebouwd met tertsen systematisch doornemen. We beginnen bij drieklanken en breiden dit uit naar vierklanken, vijfklanken, zesklanken en zelfs zevenklanken. Deze akkoorden worden ook wel septiem-, none-, undecime- en tredecime-akkoorden genoemd.

In dit hele overzicht gebruiken we één vaste toonsoort en dat is C. Dat maakt niet uit of je piano, gitaar, viool of saxofoon speelt. De structuur van akkoorden werkt voor elk instrument hetzelfde. We gebruiken C omdat deze toonsoort het duidelijkst laat zien hoe akkoorden zijn opgebouwd. De piano wordt daarbij vaak gebruikt als visueel hulpmiddel om theorie en praktijk met elkaar te verbinden.

Alle akkoorden piano drieklanken vierklanken overzicht
quote appiano

De piano wordt vaak gebruikt als visueel hulpmiddel om theorie en praktijk met elkaar te verbinden.

Het basisakkoord van C bestaat uit de tonen C – E – G. Dit noemen we een drieklank. Op de piano zie je meteen hoe deze tonen samenklinken en hoe ze zich tot elkaar verhouden. Door akkoorden visueel te maken, wordt het veel makkelijker om te begrijpen wat je speelt.

Omdat we alle akkoorden in C uitleggen, blijven de namen van de tonen steeds hetzelfde. We vergelijken steeds wat er gebeurt met C – E – G. Wordt een toon verhoogd, verlaagd of wordt er een extra toon toegevoegd, zoals bij septiemakkoorden, suspended akkoorden of none akkoorden. Door alles naast elkaar te leggen, worden de verschillen tussen akkoorden duidelijk en logisch.

We gaan dus vergelijken en kijken naar de opbouw van akkoorden. Niet om theorie ingewikkeld te maken, maar juist om het eenvoudiger te houden. Door deze aanpak leer je akkoorden sneller herkennen, beter onthouden en direct toepassen in je spel. Dat maakt muziek maken overzichtelijker en vooral een stuk makkelijker.

Drieklanken

Drieklanken vormen de basis van harmonie in muziek. Of je nu piano, gitaar of een ander instrument speelt, vrijwel alle akkoorden zijn terug te herleiden tot deze eenvoudige structuren van drie tonen. Door drieklanken goed te begrijpen, krijg je inzicht in hoe muziek is opgebouwd en hoe akkoorden met elkaar samenhangen. In plaats van losse grepen of vormen uit je hoofd te leren, leer je denken in structuur en functie.

Een drieklank bestaat altijd uit drie tonen: de grondtoon, de terts en de kwint. Deze tonen worden opgebouwd door tertsstapeling, Afhankelijk van de afstand tussen deze tonen ontstaan verschillende soorten drieklanken, elk met een eigen klank en karakter.

quote appiano

Een drieklank bestaat altijd uit drie tonen: de grondtoon, de terts en de kwint.

De grote drieklank (majeur) heeft een heldere en stabiele klank en vormt vaak de basis van veel muziek. De kleine drieklank (mineur) klinkt warmer en kan een meer melancholisch of ingetogen gevoel geven. De verminderde drieklank heeft een gespannen en instabiel karakter en wordt vaak gebruikt om een gevoel van verwachting of overgang te creëren. De overmatige drieklank klinkt juist zwevend en open, en zorgt voor een gevoel van beweging en spanning.

Leer meer hierover:

Naast de grondligging, waarbij de grondtoon onderaan ligt, kunnen drieklanken ook in omkeringen worden gespeeld. Dit betekent dat een andere toon dan de grondtoon in de bas ligt, wat zorgt voor variatie in klank en speelbaarheid.

Door deze vier soorten drieklanken te leren herkennen en toepassen, leg je een stevige basis voor het begrijpen van akkoorden, progressies en uiteindelijk complete muziekstukken.

Grote drieklank

Tonen: C – E – G
Akkoordsymbool: C, Cmaj
Formule: 1 – 3 – 5
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terst (E) – reine kwint (G)
Tertsstapeling: grote terts + kleine terts

Grondligging: C – E – G
1e omkering: E – G – C (symbool: C/E)
2e omkering: G – C – E (symbool: C/G)

Alle grote drieklanken overzicht afbeelding

De grote drieklank, oftewel het majeur akkoord, vormt de basis van vrijwel alle akkoorden. Net zoals de majeurtoonladder het startpunt is bij toonladders, is de grote drieklank het fundament van harmonie. Door deze structuur goed te begrijpen, wordt het makkelijker om andere akkoorden te herkennen en toe te passen. In plaats van losse akkoorden te onthouden, ga je verbanden zien en begrijpen hoe muziek is opgebouwd.

Een majeur akkoord wordt opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e en 5e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Als je deze tonen doortelt (1 – 2 – 3 – 4 – 5), pak je de 1e, 3e en 5e toon. Zo ontstaat de formule 1 – 3 – 5. Je denkt dus niet in losse tonen, maar in posities binnen de toonladder.

Leer meer hierover:

Een grote drieklank bestaat uit de grondtoon, de grote terts en de reine kwint. De grondtoon (1) geeft het akkoord zijn naam en vormt de basis. De grote terts (3) bepaalt het karakter en zorgt voor de heldere, open klank van majeur. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit en maakt het akkoord compleet. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C majeur akkoord bestaat uit de tonen C – E – G, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3) en G de reine kwint (5). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal gewoon aangeduid als C, soms als Cmaj, omdat majeur de standaardvorm is.

Naast de grondligging kan een grote drieklank ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – C – E). 

Kleine drieklank

Tonen: C – E♭ – G
Akkoordsymbool: Cm, Cmin
Formule: 1 – ♭3 – 5
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G)
Tertsstapeling: kleine terts + grote terts

Grondligging: C – E♭ – G
1e omkering: E♭ – G – C (symbool: Cm/E♭)
2e omkering: G – C – E♭ (symbool: Cm/G)

Alle Kleine drieklanken overzicht afbeelding

De kleine drieklank, oftewel het mineur akkoord, is een directe variant op de grote drieklank en vormt samen met majeur de basis van harmonie. Waar het majeur akkoord helder en open klinkt, heeft het mineur akkoord een meer ingetogen, warme of soms melancholische klank. Door deze structuur goed te begrijpen, wordt het makkelijker om andere akkoorden te herkennen en toe te passen.

Een mineur akkoord wordt, net als majeur, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e en 5e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Voor een mineur akkoord wordt de 3e toon verlaagd. De formule wordt daardoor 1 – ♭3 – 5. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past één toon aan.

Leer meer hierover:

Als voorbeeld nemen we C. Het C mineur akkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3) en G de reine kwint (5). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm of Cmin, waarbij de “m” aangeeft dat het om een mineur akkoord gaat.

Naast de grondligging kan een kleine drieklank ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G). In de eerste omkering ligt de kleine terts onderaan (E♭ – G – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – C – E♭). 

Verminderde drieklank

Tonen: C – E♭ – G♭
Akkoordsymbool: Cdim, C°
Formule: 1 – ♭3 – ♭5
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – verminderde kwint (G♭)
Tertsstapeling: kleine terts + kleine terts

Grondligging: C – E♭ – G♭
1e omkering: E♭ – G♭ – C (symbool: Cdim/E♭)
2e omkering: G♭ – C – E♭ (symbool: Cdim/G♭)

Verminderde drieklanken overzicht afbeelding

De verminderde drieklank is, net als de grote en kleine drieklank, ook een drieklank, maar met een duidelijk andere klank en functie. Waar een majeur akkoord stabiel en open klinkt en een mineur akkoord meer ingetogen is, heeft de verminderde drieklank een gespannen en instabiel karakter. Hierdoor wordt dit akkoord vaak gebruikt om spanning op te bouwen die daarna opgelost wordt.

Een verminderde drieklank wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e en 5e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Voor een verminderde drieklank worden zowel de 3e als de 5e toon verlaagd. De formule wordt daardoor 1 – ♭3 – ♭5. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past twee tonen aan.

Leer meer hierover:

Een verminderde drieklank bestaat uit de grondtoon, de kleine terts en de verminderde kwint. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft het akkoord een mineurachtig karakter. De verminderde kwint (♭5) zorgt voor de typische spanning en instabiliteit. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. De verminderde drieklank op C bestaat uit de tonen C – E♭ – G♭, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3) en G♭ de verminderde kwint (♭5). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – ♭5 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cdim of C°. 

Naast de grondligging kan een verminderde drieklank ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G♭). In de eerste omkering ligt de kleine terts onderaan (E♭ – G♭ – C). In de tweede omkering ligt de verminderde kwint onderaan (G♭ – C – E♭).

Overmatige drieklank

Tonen: C – E – G♯
Akkoordsymbool: Caug, C+
Formule: 1 – 3 – ♯5
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – overmatige kwint (G♯)
Tertsstapeling: grote terts + grote terts

Grondligging: C – E – G♯
1e omkering: E – G♯ – C (symbool: Caug/E)
2e omkering: G♯ – C – E (symbool: Caug/G♯)

overmatige drieklanken overzicht afbeelding

De overmatige drieklank is, net als de grote, kleine en verminderde drieklank, een basisvorm en heeft een eigen klank en functie. Waar majeur stabiel klinkt en mineur meer ingetogen is, heeft de overmatige drieklank een zwevend en spannend karakter. Dit akkoord voelt vaak minder “af” en wordt gebruikt om beweging en spanning te creëren.

Een overmatige drieklank wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e en 5e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Voor een overmatige drieklank wordt de 5e toon verhoogd. De formule wordt daardoor 1 – 3 – ♯5. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past één toon aan.

Leer meer hierover:

Een overmatige drieklank bestaat uit de grondtoon, de grote terts en een overmatige kwint. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeurachtig karakter. De verhoogde kwint (♯5) zorgt voor de typische spanning en het zwevende gevoel. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. De overmatige drieklank op C bestaat uit de tonen C – E – G♯, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3) en G♯ de overmatige kwint (♯5). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – ♯5 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Caug of C+. Naast de grondligging kan een overmatige drieklank ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G♯). In de eerste omkering ligt de grote terts onderaan (E – G♯ – C). In de tweede omkering ligt de overmatige kwint onderaan (G♯ – C – E).

Vierklanken

Vierklanken, ook wel septiemakkoorden genoemd, bouwen voort op de drieklanken en vormen een belangrijke volgende stap in harmonie. Waar drieklanken uit drie tonen bestaan, voegen vierklanken daar een extra toon aan toe. Deze vierde toon geeft het akkoord meer kleur, spanning en diepte. Hierdoor klinken septiemakkoorden rijker en complexer en worden ze veel gebruikt in stijlen zoals jazz, pop en klassieke muziek.

Leer meer hierover:

Net als bij drieklanken worden ook vierklanken opgebouwd door tertsen op elkaar te stapelen. Je vertrekt vanuit een drieklank en voegt daar nog een extra terts bovenop toe. Afhankelijk van welke tonen je precies gebruikt, ontstaan verschillende soorten septiemakkoorden, elk met een eigen klank en functie binnen de muziek.

quote appiano

Je vertrekt vanuit een drieklank en voegt daar nog een extra terts bovenop toe

Het dominant septiemakkoord heeft een sterke spanningswerking en wil bijna altijd oplossen naar een ander akkoord. Het groot septiemakkoord klinkt juist zacht, warm en afgerond, zonder sterke drang tot oplossing. Het klein septiemakkoord heeft een soepele en volle klank en wordt veel gebruikt vanwege zijn muzikale veelzijdigheid.

Daarnaast zijn er ook meer gespannen varianten. Het halfverminderd septiemakkoord klinkt instabiel, maar minder scherp dan een volledig verminderd akkoord. Het verminderd septiemakkoord zelf heeft een zeer sterke spanning en een karakteristieke, bijna symmetrische klank. Het overmatig septiemakkoord klinkt zwevend en rijk, terwijl het klein-groot septiemakkoord een bijzondere combinatie biedt van een mineur klank met een onverwachte, lichte spanning.

Dominant septiemakkoord

Tonen: C – E – G – B♭
Akkoordsymbool: C7
Formule: 1 – 3 – 5 – ♭7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: majeur drieklank + kleine terts

Grondligging: C – E – G – B♭
1e omkering: E – G – B♭ – C (symbool: C7/E)
2e omkering: G – B♭ – C – E (symbool: C7/G)
3e omkering: B♭ – C – E – G (symbool: C7/B♭)

Alle dominant septiem akkoorden overzicht

Het dominant septiemakkoord is een uitbreiding op de grote drieklank en heeft een duidelijke klank en functie. Waar de grote drieklank stabiel klinkt, zorgt het dominant septiemakkoord juist voor spanning en beweging. Dit akkoord wil vaak oplossen naar een ander akkoord en wordt daarom veel gebruikt in muziek.

Een dominant septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verlaagt de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door de 7e toon te verlagen ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – ♭7. Je bouwt dus een grote drieklank en voegt daar een verlaagde septiem aan toe.

Leer meer hierover:

Een dominant septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint en de kleine septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) zorgt voor de typische spanning en maakt dat het akkoord wil oplossen.

Als voorbeeld nemen we C. Het C dominant septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B♭, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5) en B♭ de kleine septiem (♭7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – ♭7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als C7.

Naast de grondligging kan een dominant septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G – B♭). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – B♭ – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B♭ – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – C – E – G).

Groot septiemakkoord

Tonen: C – E – G – B
Akkoordsymbolen: Cmaj7, CM7
Formule: 1 – 3 – 5 – 7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – grote septiem (B)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: majeur drieklank + grote terts

Grondligging: C – E – G – B
1e omkering: E – G – B – C (symbool: Cmaj7/E)
2e omkering: G – B – C – E (symbool: Cmaj7/G)
3e omkering: B – C – E – G (symbool: Cmaj7/B)

Alle groot septiem akkoord overzicht

Het groot septiemakkoord is een uitbreiding op de grote drieklank en heeft een herkenbare klank en functie. Waar het dominant septiemakkoord spanning creëert, klinkt het groot septiemakkoord juist rustiger, voller en meer afgerond. Het wordt vaak gebruikt voor een warme en rijke klank zonder sterke drang om op te lossen.

Een groot septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Omdat de 7e toon niet verlaagd wordt, ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – 7.

Leer meer hierover:

Een groot septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint en de grote septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De grote septiem (7) geeft het akkoord zijn kenmerkende zachte spanning en rijke klank. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C groot septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5) en B de grote septiem (7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – 7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cmaj7 of CΔ.

Naast de grondligging kan een groot septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G – B). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – B – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B – C – E – G). 

Klein septiemakkoord

Tonen: C – E♭ – G – B♭
Akkoordsymbolen: Cm7, Cmin7
Formule: 1 – ♭3 – 5 – ♭7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭)

Tertsstapeling: kleine terts + grote terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: mineur drieklank + kleine terts

Grondligging: C – E♭ – G – B♭
1e omkering: E♭ – G – B♭ – C (symbool: Cm7/E♭)
2e omkering: G – B♭ – C – E♭ (symbool: Cm7/G)
3e omkering: B♭ – C – E♭ – G (symbool: Cm7/B♭)

Alle klein septiem akkoorden overzicht

Het klein septiemakkoord is een uitbreiding op de kleine drieklank en heeft een herkenbare klank en functie. Waar het mineur akkoord een warme en ingetogen klank heeft, voegt het klein septiemakkoord extra diepte en zachtheid toe. Dit akkoord klinkt vaak soepel en wordt veel gebruikt in verschillende muziekstijlen.

Een klein septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verlaagt de 3e en de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassingen ontstaat de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7.

Leer meer hierover:

Een klein septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de reine kwint en de kleine septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) bepaalt het mineur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) geeft het akkoord zijn zachte spanning en volle klank. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C klein septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G – B♭, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G de reine kwint (5) en B♭ de kleine septiem (♭7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm7.

Naast de grondligging kan een klein septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G – B♭). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E♭ – G – B♭ – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B♭ – C – E♭). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – C – E♭ – G).

Halfverminderd septiemakkoord

Tonen: C – E♭ – G♭ – B♭
Akkoordsymbolen: Cm7♭5, Cø7
Formule: 1 – ♭3 – ♭5 – ♭7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – verminderde kwint (G♭) – kleine septiem (B♭)

Tertsstapeling: kleine terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: verminderde drieklank + grote terts

Grondligging: C – E♭ – G♭ – B♭
1e omkering: E♭ – G♭ – B♭ – C (symbool: Cm7♭5/E♭)
2e omkering: G♭ – B♭ – C – E♭ (symbool: Cm7♭5/G♭)
3e omkering: B♭ – C – E♭ – G♭ (symbool: Cm7♭5/B♭)

Alle half verminderd septiem akkoord overzicht

Het halfverminderd septiemakkoord is een uitbreiding op de verminderde drieklank en heeft een eigen klank en functie. Waar de verminderde drieklank sterk gespannen klinkt, is het halfverminderd septiemakkoord iets milder, maar nog steeds duidelijk onstabiel. Dit akkoord wordt vaak gebruikt om spanning op te bouwen richting een oplossing.

Een halfverminderd septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verlaagt de 3e, de 5e en de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassingen ontstaat de formule 1 – ♭3 – ♭5 – ♭7.

Leer meer hierover:

Een halfverminderd septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de verminderde kwint en de kleine septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft het akkoord een mineurachtig karakter. De verminderde kwint (♭5) zorgt voor spanning. De kleine septiem (♭7) maakt het akkoord iets minder scherp dan een volledig verminderd akkoord en geeft het een vollere klank. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C halfverminderd septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G♭ – B♭, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G♭ de verminderde kwint (♭5) en B♭ de kleine septiem (♭7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – ♭5 – ♭7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm7♭5 of Cø.

Naast de grondligging kan een halfverminderd septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G♭ – B♭). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E♭ – G♭ – B♭ – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G♭ – B♭ – C – E♭). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – C – E♭ – G♭).

Verminderd septiemakkoord

Tonen: C – E♭ – G♭ – A
Akkoordsymbolen: C°7, Cdim7
Formule: 1 – ♭3 – ♭5 – ♭♭7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – verminderde kwint (G♭) – verminderde septiem (A)

Tertsstapeling: kleine terts + kleine terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: verminderde drieklank + kleine terts

Grondligging: C – E♭ – G♭ – A
1e omkering: E♭ – G♭ – A – C (symbool: C°7/E♭)
2e omkering: G♭ – A – C – E♭ (symbool: C°7/G♭)
3e omkering: A – C – E♭ – G♭ (symbool: C°7/A)

Alle verminderd septiem akkoord overzicht

Het verminderd septiemakkoord is een uitbreiding op de verminderde drieklank en heeft een duidelijke klank en functie. Waar de verminderde drieklank al spanning geeft, klinkt het verminderd septiemakkoord nog sterker en instabieler. Dit akkoord wordt vaak gebruikt om spanning op te bouwen die direct om een oplossing vraagt.

Een verminderd septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verlaagt de 3e, de 5e en de 7e toon. De formule wordt daardoor 1 – ♭3 – ♭5 – ♭♭7. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past meerdere tonen aan.

Leer meer hierover:

Een verminderd septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de verminderde kwint en de verminderde septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft een mineurachtig karakter. De verminderde kwint (♭5) zorgt voor spanning. De verminderde septiem (♭♭7) geeft het akkoord zijn kenmerkende, symmetrische en instabiele klank. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C verminderd septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G♭ – A, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G♭ de verminderde kwint (♭5) en A de verminderde septiem (♭♭7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – ♭5 – ♭♭7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cdim7 of C°7.

Naast de grondligging kan een verminderd septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G♭ – A). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E♭ – G♭ – A – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G♭ – A – C – E♭). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (A – C – E♭ – G♭).

Overmatig septiemakkoorden

Tonen: C – E – G# – B
Akkoordsymbolen: C+maj7, Cmaj7#5
Formule: 1 – 3 – #5 – 7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – overmatige kwint (G#) – grote septiem (B)

Tertsstapeling: grote terts + grote terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: overmatige drieklank + kleine terts

Grondligging: C – E – G# – B
1e omkering: E – G# – B – C (symbool: C+maj7/E)
2e omkering: G# – B – C – E (symbool: C+maj7/G#)
3e omkering: B – C – E – G# (symbool: C+maj7/B)

Alle overmatig septiemakkoorden overzicht

Het overmatig septiemakkoord is een uitbreiding op de overmatige drieklank en heeft een duidelijke klank en functie. Waar de overmatige drieklank al een zwevend en spannend karakter heeft, voegt de septiem nog extra kleur en spanning toe. Dit akkoord klinkt rijk en wordt vaak gebruikt om beweging te creëren zonder direct volledig op te lossen.

Een overmatig septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verhoogt de 5e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door de 5e toon te verhogen ontstaat de formule 1 – 3 – ♯5 – 7. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past één toon aan.

Leer meer hierover:

Een overmatig septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de overmatige kwint en de grote septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur karakter. De overmatige kwint (♯5) zorgt voor de typische spanning en het zwevende gevoel. De grote septiem (7) voegt extra kleur en diepte toe. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C overmatig septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E – G♯ – B, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G♯ de overmatige kwint (♯5) en B de grote septiem (7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – ♯5 – 7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Caug7 of C+7.

Naast de grondligging kan een overmatig septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G♯ – B). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G♯ – B – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G♯ – B – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B – C – E – G♯).

Klein-groot septiemakkoord

Tonen: C – E♭ – G – B
Akkoordsymbolen: Cm(maj7), Cmin(maj7)
Formule: 1 – ♭3 – 5 – 7
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G) – grote septiem (B)

Tertsstapeling: kleine terts + grote terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: mineur drieklank + grote terts

Grondligging: C – E♭ – G – B
1e omkering: E♭ – G – B – C (symbool: Cm(maj7)/E♭)
2e omkering: G – B – C – E♭ (symbool: Cm(maj7)/G)
3e omkering: B – C – E♭ – G (symbool: Cm(maj7)/B)

Alle klein groot septiem akkoorden overzicht

Het klein-groot septiemakkoord is een uitbreiding op de kleine drieklank en heeft een duidelijke klank en functie. Waar het mineur akkoord een warme en ingetogen klank heeft, voegt dit akkoord een spannende en licht onrustige kleur toe door de combinatie van mineur en een grote septiem. Hierdoor klinkt het akkoord rijk, maar ook een beetje wringend.

Een klein-groot septiemakkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e en 7e toon uit, maar verlaagt de 3e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door de 3e toon te verlagen ontstaat de formule 1 – ♭3 – 5 – 7. Je blijft dus denken vanuit dezelfde structuur, maar past één toon aan.

Leer meer hierover:

Een klein-groot septiemakkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de reine kwint en de grote septiem. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft het akkoord een mineur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De grote septiem (7) zorgt voor de typische spanning en maakt het akkoord uniek. Deze combinatie van mineur en majeur elementen geeft het akkoord zijn herkenbare klank.

Als voorbeeld nemen we C. Het C klein-groot septiemakkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G – B, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G de reine kwint (5) en B de grote septiem (7). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 – 7 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm(maj7).

Naast de grondligging kan een klein-groot septiemakkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G – B). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E♭ – G – B – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B – C – E♭). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B – C – E♭ – G).

Vijfklanken

None-akkoorden zijn uitbreidingen van septiemakkoorden en geven harmonie nog meer kleur, diepte en expressie. Waar drieklanken de basis vormen en vierklanken al extra spanning of warmte toevoegen, zorgen none-akkoorden voor een rijkere en meer open klank. Daardoor hoor je ze veel in jazz, soul, pop en filmmuziek, maar ook in moderne arrangementen waarin akkoorden voller en gelaagder mogen klinken.

Een none-akkoord ontstaat wanneer aan een septiemakkoord nog een extra toon wordt toegevoegd. Die extra toon ligt hoger dan de grondtoon en geeft het akkoord een ruimtelijker karakter. Het resultaat is een klank die vaak zachter, rijker of juist spannender aanvoelt, afhankelijk van het soort akkoord. None-akkoorden bouwen dus verder op wat je al kent van drieklanken en septiemakkoorden, maar voegen nog meer nuance toe.

quote appiano

None-akkoorden bouwen dus verder op wat je al kent van drieklanken en septiemakkoorden, maar voegen nog meer nuance toe.

Het groot none-akkoord klinkt warm, open en verfijnd en wordt vaak gebruikt voor een zachte, moderne sfeer. Het klein none-akkoord heeft een volle en expressieve klank, met een mooie balans tussen warmte en kleur. Het dominant none-akkoord klinkt krachtig, levendig en stuwend, en wordt veel gebruikt wanneer een akkoord duidelijk spanning en richting moet geven. Het dominant klein none-akkoord gaat nog een stap verder en heeft een donkerder, scherper en dramatischer karakter.

Groot none akkoord

Tonen: C – E – G – B – D
Akkoordsymbolen: Cmaj9, CM9
Formule: 1 – 3 – 5 – 7 – 9
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – grote septiem (B) – grote none (D)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + grote terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: groot septiemakkoord + kleine terts

Grondligging: C – E – G – B – D
1e omkering: E – G – B – D – C (symbool: Cmaj9/E)
2e omkering: G – B – D – C – E (symbool: Cmaj9/G)
3e omkering: B – D – C – E – G (symbool: Cmaj9/B)
4e omkering: D – C – E – G – B (symbool: Cmaj9/D)

Alle groot none akkoorden overzicht

Het groot none akkoord is een uitbreiding op het groot septiemakkoord en heeft een rijke en volle klank. Waar het groot septiemakkoord al warmte en diepte toevoegt, zorgt de none voor extra kleur en ruimte. Dit akkoord klinkt vaak zacht, open en modern en wordt veel gebruikt in pop, jazz en filmmuziek.

Een groot none akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e en 9e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. De 9e toon is hetzelfde als de 2e toon, maar dan een octaaf hoger. Hierdoor ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9.

Een groot none akkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint, de grote septiem en de grote none. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De grote septiem (7) geeft warmte en diepte. De none (9) voegt extra kleur toe en maakt de klank rijker en opener. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C groot none akkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B – D, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5), B de grote septiem (7) en D de none (9). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cmaj9.

Naast de grondligging kan een groot none akkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G – B – D). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – B – D – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B – D – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B – D – C – E – G). In de vierde omkering ligt de none onderaan (D – C – E – G – B).

Klein none akkoord

Tonen: C – E♭ – G – B♭ – D
Akkoordsymbolen: Cm9, C-9, Cmin9
Formule: 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭) – grote none (D)

Tertsstapeling: kleine terts + grote terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: klein septiemakkoord + grote terts

Grondligging: C – E♭ – G – B♭ – D
1e omkering: E♭ – G – B♭ – D – C (symbool: Cm9/E♭)
2e omkering: G – B♭ – D – C – E♭ (symbool: Cm9/G)
3e omkering: B♭ – D – C – E♭ – G (symbool: Cm9/B♭)
4e omkering: D – C – E♭ – G – B♭ (symbool: Cm9/D)

Alle kleine none akkoorden

Het klein none akkoord is een uitbreiding op het klein septiemakkoord en heeft een warme en volle klank. Waar het mineur akkoord al een zachte en ingetogen sfeer heeft, voegt de none extra diepte en kleur toe. Dit akkoord klinkt vaak rijk, soepel en expressief en wordt veel gebruikt in verschillende muziekstijlen.

Een klein none akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e en 9e toon uit, maar verlaagt de 3e en de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassingen ontstaat de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9.

Een klein none akkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de reine kwint, de kleine septiem en de grote none. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft het akkoord een mineur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) voegt spanning toe. De grote none (9) geeft extra kleur en maakt de klank rijker en voller. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C klein none akkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G – B♭ – D, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G de reine kwint (5), B♭ de kleine septiem (♭7) en D de grote none (9). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm9.

Naast de grondligging kan een klein none akkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E♭ – G – B♭ – D). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E♭ – G – B♭ – D – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B♭ – D – C – E♭). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – D – C – E♭ – G).

Dominant groot none akkoord

Tonen: C – E – G – B♭ – D
Akkoordsymbolen: C9
Formule: 1 – 3 – 5 – ♭7 – 9
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭) – grote none (D)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: dominant septiemakkoord + grote terts

Grondligging: C – E – G – B♭ – D
1e omkering: E – G – B♭ – D – C (symbool: C9/E)
2e omkering: G – B♭ – D – C – E (symbool: C9/G)
3e omkering: B♭ – D – C – E – G (symbool: C9/B♭)
4e omkering: D – C – E – G – B♭ (symbool: C9/D)

Alle groot dominant none akkoorden

Het dominant groot none-akkoord is een uitbreiding op het dominant septiemakkoord en heeft een krachtige en kleurrijke klank. Waar het dominant septiemakkoord al een duidelijke spanning en richting heeft, voegt de none extra rijkdom en een jazzy karakter toe. Dit akkoord klinkt vaak vol, energiek en stuwend, en wordt veel gebruikt in stijlen zoals blues, funk en jazz.

Een dominant groot none-akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e en 9e toon uit, maar verlaagt alleen de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassing ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – ♭7 – 9.

Een dominant groot none-akkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint, de kleine septiem en de grote none. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur karakter. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) zorgt voor de karakteristieke dominante spanning die om een oplossing vraagt. De grote none (9) geeft extra kleur en maakt de klank complexer en ronder. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C dominant groot none-akkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B♭ – D, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5), B♭ de kleine septiem (♭7) en D de grote none (9). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – ♭7 – 9 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als C9.

Naast de grondligging kan een dominant groot none-akkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G – B♭ – D). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – B♭ – D – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B♭ – D – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – D – C – E – G). In de vierde omkering ligt de none onderaan (D – C – E – G – B♭).

Dominant klein none akkoord

Tonen: C – E – G – B♭ – D♭
Akkoordsymbolen: C7♭9, C7(♭9)
Formule: 1 – 3 – 5 – ♭7 – ♭9
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭) – kleine none (D♭)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + kleine terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: dominant septiemakkoord + kleine terts

Grondligging: C – E – G – B♭ – D♭
1e omkering: E – G – B♭ – D♭ – C (symbool: C7♭9/E)
2e omkering: G – B♭ – D♭ – C – E (symbool: C7♭9/G)
3e omkering: B♭ – D♭ – C – E – G (symbool: C7♭9/B♭)
4e omkering: D♭ – C – E – G – B♭ (symbool: C7♭9/D♭)

Alle klein dominant none akkoorden Appiano

Het dominant klein none-akkoord is een uitbreiding op het dominant septiemakkoord en heeft een zeer intense en dramatische klank. Waar het dominant septiemakkoord al spanning oproept, voegt de verlaagde none een donkere, mysterieuze kleur toe die dwingt tot een oplossing. Dit akkoord klinkt vaak spannend, filmisch en complex, en wordt veel gebruikt in jazz, klassieke muziek en filmmuziek om een krachtig emotioneel moment te creëren.

Een dominant klein none-akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e en 9e toon uit, maar verlaagt zowel de 7e als de 9e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassingen ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – ♭7 – ♭9.

Een dominant klein none-akkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint, de kleine septiem en de kleine none. De grondtoon (1) vormt de basis. De grote terts (3) geeft het akkoord een majeur basis. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) zorgt voor de typische dominante spanning. De kleine none (♭9) voegt een scherpere dissonantie toe, wat het akkoord zijn unieke en dringende karakter geeft. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C dominant klein none-akkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B♭ – D♭, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5), B♭ de kleine septiem (♭7) en D♭ de kleine none (♭9). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – ♭7 – ♭9 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als C7♭9.

Naast de grondligging kan een dominant klein none-akkoord ook in omkeringen gespeeld worden. In de grondligging staat de grondtoon onderaan (C – E – G – B♭ – D♭). In de eerste omkering ligt de terts onderaan (E – G – B♭ – D♭ – C). In de tweede omkering ligt de kwint onderaan (G – B♭ – D♭ – C – E). In de derde omkering ligt de septiem onderaan (B♭ – D♭ – C – E – G). In de vierde omkering ligt de none onderaan (D♭ – C – E – G – B♭).

Zesklanken

Zesklanken, ook wel undecime-akkoorden genoemd, vormen een verdere uitbreiding van de harmonie en bouwen voort op de akkoorden die je al kent. Waar drieklanken uit drie tonen bestaan, septiemakkoorden uit vier en none-akkoorden uit vijf, voegen zesklanken daar nog een extra laag aan toe. Hierdoor ontstaat een rijke, volle en gelaagde klank die vaak wordt gebruikt in stijlen waar kleur en sfeer centraal staan.

Een zesklank ontstaat door een extra toon toe te voegen bovenop een none-akkoord. Deze uitbreiding zorgt ervoor dat het akkoord nog breder en complexer klinkt. Omdat er veel tonen tegelijk aanwezig zijn, krijgen deze akkoorden een bijna orkestrale kwaliteit. Tegelijk vraagt dit ook om bewust gebruik, omdat sommige tonen spanning of wrijving met elkaar kunnen creëren.

Groot undecime akkoord

Tonen: C – E – G – B – D – F
Akkoordsymbolen: Cmaj11, CM11
Formule: 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – grote septiem (B) – grote none (D) – reine undecime (F)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + grote terts + kleine terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: groot none akkoord + kleine terts

Grondligging: C – E – G – B – D – F
1e omkering: E – G – B – D – F – C (symbool: Cmaj11/E)
2e omkering: G – B – D – F – C – E (symbool: Cmaj11/G)
3e omkering: B – D – F – C – E – G (symbool: Cmaj11/B)
4e omkering: D – F – C – E – G – B (symbool: Cmaj11/D)
5e omkering: F – C – E – G – B – D (symbool: Cmaj11/F)

Het groot undecime akkoord is een indrukwekkende uitbreiding op het groot none-akkoord en heeft een zeer volle, bijna orkestrale klank. Waar het none-akkoord al rijkdom toevoegt, brengt de undecime een extra laag van complexiteit en een subtiele spanning met zich mee. Dit akkoord klinkt vaak groots en harmonieus, al moet de balans tussen de terts en de undecime zorgvuldig worden gekozen om de klank helder te houden.

Een groot undecime akkoord wordt opgebouwd vanuit de majeurtoonladder. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e, 9e en 11e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B – C – D – E – F. Omdat er bij dit akkoord geen verlagingen nodig zijn voor de basisstructuur, ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11.

Een groot undecime akkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint, de grote septiem, de grote none en de reine undecime. De grondtoon (1) is de basis. De grote terts (3) en reine kwint (5) vormen de majeur drieklank. De grote septiem (7) en grote none (9) zorgen voor de herkenbare open, dromerige klank. De reine undecime (11) voegt hier een extra zweving aan toe die het akkoord zijn unieke diepte geeft.

Als voorbeeld nemen we C. Het C groot undecime akkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B – D – F, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5), B de grote septiem (7), D de grote none (9) en F de reine undecime (11). Dit laat zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11 wordt toegepast. Het akkoord wordt aangeduid als Cmaj11.

Klein undecime akkoord

Tonen: C – E♭ – G – B♭ – D – F
Akkoordsymbolen: Cm11, C-11, Cmin11
Formule: 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭) – grote none (D) – reine undecime (F)

Tertsstapeling: kleine terts + grote terts + kleine terts + grote terts + kleine terts
Akkoord met toegevoegde terts: klein none akkoord + kleine terts

Grondligging: C – E♭ – G – B♭ – D – F
1e omkering: E♭ – G – B♭ – D – F – C (symbool: Cm11/E♭)
2e omkering: G – B♭ – D – F – C – E♭ (symbool: Cm11/G)
3e omkering: B♭ – D – F – C – E♭ – G (symbool: Cm11/B♭)
4e omkering: D – F – C – E♭ – G – B♭ (symbool: Cm11/D)
5e omkering: F – C – E♭ – G – B♭ – D (symbool: Cm11/F)

Het klein undecime akkoord is een prachtige uitbreiding op het klein none-akkoord en heeft een zeer dromerige, open en moderne klank. Waar het mineur none-akkoord al veel diepte heeft, voegt de undecime een extra laag van helderheid toe zonder de melancholische sfeer van het mineur te verliezen. Dit akkoord klinkt vaak sereen en soepel, en wordt veel gebruikt in jazz, neo-soul en moderne popmuziek.

Een klein undecime akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e, 9e en 11e toon uit, waarbij je de 3e en de 7e toon verlaagt. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door deze aanpassingen ontstaat de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11.

Een klein undecime akkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de reine kwint, de kleine septiem, de grote none en de reine undecime. De grondtoon (1) vormt de basis. De kleine terts (♭3) geeft het akkoord zijn karakteristieke mineurklank. De reine kwint (5) zorgt voor stabiliteit. De kleine septiem (♭7) en grote none (9) zorgen voor een rijke, jazzy textuur. De reine undecime (11) voegt een unieke, open kleur toe die perfect harmonieert met de kleine terts. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C klein undecime akkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G – B♭ – D – F, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G de reine kwint (5), B♭ de kleine septiem (♭7), D de grote none (9) en F de reine undecime (11). Dit laat direct zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm11.

Zevenklanken

Zevenklanken, ook wel tredecime-akkoorden genoemd, vormen de meest uitgebreide en volledige vorm van akkoordopbouw binnen de harmonie. Waar eerdere akkoorden stap voor stap werden uitgebreid met extra tonen, voegen zevenklanken nog één laatste laag toe. Hierdoor ontstaat een akkoord met zeven verschillende tonen, wat zorgt voor een zeer rijke, diepe en gelaagde klank.

Deze akkoorden bouwen voort op alles wat je eerder hebt geleerd: drieklanken, septiemakkoorden, none- en undecime-akkoorden. Elke extra toon voegt meer kleur en nuance toe

Zevenklanken hebben een brede en bijna orkestrale klank. Ze kunnen warm en rond klinken, maar ook complex en spannend, afhankelijk van de context. In de praktijk worden ze veel gebruikt in jazz, neo-soul en filmmuziek, waar rijke harmonieën en subtiele kleurnuances een belangrijke rol spelen.

Groot tredecime akkoord

Tonen: C – E – G – B – D – F – A
Akkoordsymbolen: Cmaj13, CM13
Formule: 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11 – 13
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – grote terts (E) – reine kwint (G) – grote septiem (B) – grote none (D) – reine undecime (F) – grote tredecime (A)

Tertsstapeling: grote terts + kleine terts + grote terts + kleine terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: groot undecime akkoord + grote terts

Grondligging: C – E – G – B – D – F – A
1e omkering: E – G – B – D – F – A – C (symbool: Cmaj13/E)
2e omkering: G – B – D – F – A – C – E (symbool: Cmaj13/G)
3e omkering: B – D – F – A – C – E – G (symbool: Cmaj13/B)
4e omkering: D – F – A – C – E – G – B (symbool: Cmaj13/D)
5e omkering: F – A – C – E – G – B – D (symbool: Cmaj13/F)
6e omkering: A – C – E – G – B – D – F (symbool: Cmaj13/A)

Het groot tredecime akkoord is de ultieme uitbreiding binnen de majeur-familie en heeft een zeer weelderige, heldere en complete klank. Waar het undecime-akkoord al veel diepte heeft, voegt de tredecime (de 13e toon) een extra gevoel van optimisme en glans toe. Dit akkoord klinkt uiterst geraffineerd en wordt vaak gebruikt aan het einde van een muziekstuk of in complexe jazz-arrangementen om een maximale rijkdom aan kleur te bereiken.

Een groot tredecime akkoord wordt opgebouwd vanuit de majeurtoonladder. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e, 9e, 11e en 13e toon uit. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B – C – D – E – F – G – A. Omdat alle tonen direct uit de majeurtoonladder komen zonder verlagingen, ontstaat de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11 – 13.

Een groot tredecime akkoord bestaat uit de grondtoon, de grote terts, de reine kwint, de grote septiem, de grote none, de reine undecime en de grote tredecime. De grondtoon (1) is het fundament. De grote terts (3) en reine kwint (5) vormen de basis. De septiem (7), none (9) en undecime (11) stapelen de harmonie verder op, terwijl de grote tredecime (13) – die in feite dezelfde toon is als de sext (6) maar dan een octaaf hoger – de klank vervolledigt. Deze structuur biedt een enorm spectrum aan harmonische kleuren.

Als voorbeeld nemen we C. Het C groot tredecime akkoord bestaat uit de tonen C – E – G – B – D – F – A, waarbij C de grondtoon (1) is, E de grote terts (3), G de reine kwint (5), B de grote septiem (7), D de grote none (9), F de reine undecime (11) en A de grote tredecime (13). Dit laat zien hoe de formule 1 – 3 – 5 – 7 – 9 – 11 – 13 wordt toegepast. Het akkoord wordt aangeduid als Cmaj13.

Klein tredecime akkoord

Tonen: C – E♭ – G – B♭ – D – F – A
Akkoordsymbolen: Cm13, C-13, Cmin13
Formule: 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11 – 13
Opbouw (intervallen): grondtoon (C) – kleine terts (E♭) – reine kwint (G) – kleine septiem (B♭) – grote none (D) – reine undecime (F) – grote tredecime (A)

Tertsstapeling: kleine terts + grote terts + kleine terts + grote terts + kleine terts + grote terts
Akkoord met toegevoegde terts: klein undecime-akkoord + grote terts

Grondligging: C – E♭ – G – B♭ – D – F – A
1e omkering: E♭ – G – B♭ – D – F – A – C (symbool: Cm13/E♭)
2e omkering: G – B♭ – D – F – A – C – E♭ (symbool: Cm13/G)
3e omkering: B♭ – D – F – A – C – E♭ – G (symbool: Cm13/B♭)
4e omkering: D – F – A – C – E♭ – G – B♭ (symbool: Cm13/D)
5e omkering: F – A – C – E♭ – G – B♭ – D (symbool: Cm13/F)
6e omkering: A – C – E♭ – G – B♭ – D – F (symbool: Cm13/A)

Het klein tredecime akkoord is de meest uitgebreide vorm binnen de mineur-familie en heeft een uiterst volle, weelderige en geraffineerde klank. Waar het mineur undecime-akkoord al veel ruimte en diepte biedt, voegt de tredecime (de 13e toon) een extra kleur toe die de melancholie van het mineur combineert met een heldere, bijna zwevende textuur. Dit akkoord klinkt zeer modern en wordt veel gebruikt in complexe jazz-composities en rijke arrangementen.

Een klein tredecime akkoord wordt, net als de andere akkoorden, opgebouwd vanuit de majeurtoonladder van een toonsoort. Je neemt de tonen van de toonladder en kiest daar de 1e, 3e, 5e, 7e, 9e, 11e en 13e toon uit, maar verlaagt de 3e en de 7e toon. In C is de majeurtoonladder: C – D – E – F – G – A – B. Door de aanpassingen aan de terts en de septiem ontstaat de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11 – 13.

Een klein tredecime akkoord bestaat uit de grondtoon, de kleine terts, de reine kwint, de kleine septiem, de grote none, de reine undecime en de grote tredecime. De grondtoon (1) vormt het fundament. De kleine terts (♭3) zorgt voor het mineur-karakter, terwijl de septiem (♭7), none (9) en undecime (11) zorgen voor de harmonische stapeling. De grote tredecime (13) – wat in feite de sext is, maar dan een octaaf hoger – geeft het akkoord zijn uiteindelijke, rijke glans. Deze structuur blijft altijd hetzelfde, ongeacht de toonsoort.

Als voorbeeld nemen we C. Het C klein tredecime akkoord bestaat uit de tonen C – E♭ – G – B♭ – D – F – A, waarbij C de grondtoon (1) is, E♭ de kleine terts (♭3), G de reine kwint (5), B♭ de kleine septiem (♭7), D de grote none (9), F de reine undecime (11) en A de grote tredecime (13). Dit laat zien hoe de formule 1 – ♭3 – 5 – ♭7 – 9 – 11 – 13 in de praktijk werkt. Het akkoord wordt meestal aangeduid als Cm13.

Dank je wel voor het lezen van deze blog over akkoorden en hun opbouw. We hebben stap voor stap bekeken hoe akkoorden ontstaan, hoe je ze kunt herkennen en onthouden, en wat de verschillen zijn tussen eenvoudige drieklanken en rijkere, uitgebreidere structuren.

We zijn benieuwd: wat heeft jou het meest geholpen? Was het het inzicht in de opbouw, het herkennen van patronen, of het praktisch toepassen op je instrument? En welk type akkoord gebruik jij het liefst in je spel? Deel het gerust hieronder.

Blijf ontdekken, blijf spelen en tot in de volgende blog

Laat een reactie achter

Ook interessant

Appiano nieuwsbrief

Meer dan 100+ pianisten ontvangen gratis tips, tools en downloads.

Alle muziektheorie in één overzicht

Ontvang de gratis Appiano muziektheorieposter direct in je inbox.

Appiano muziektheorieposter trail

Wij gebruiken cookies om deze website goed te laten werken en je ervaring te verbeteren.